Naar de inhoud

bedoelen

met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden

bedoelen

werkwoord bəˈdulə(n)

Betekenis

  1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
  2. iets met een bepaald oogmerk doen

Hoe spreek je bedoelen uit?

/bəˈdulən/

Bedoelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈdulən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
d dak
u boek
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van bedoelen

bedoelenhele werkwoord — bedoeldeverleden tijd enkelvoud — bedoeldenverleden tijd meervoud — bedoeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bedoel bedoelde
jij bedoelt bedoelde
hij, zij, het bedoelt bedoelde
wij bedoelen bedoelden
jullie bedoelen bedoelden
zij bedoelen bedoelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
bedoel gebiedende wijs
bedoeld verleden tijd, deelwoord
bedoeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bedoeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bedoeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bedoeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bedoeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bedoeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bedoeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bedoeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bedoeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bedoeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bedoelde verleden tijd
bedoele aanvoegende wijs
bedoelend onvoltooid, deelwoord
ben bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is bedoeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bedoeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bedoeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bedoeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bedoeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bedoeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bedoeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bedoeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bedoeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bedoeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bedoeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bedoeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bedoeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bedoeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bedoeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bedoeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bedoelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bedoeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bedoelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bedoeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bedoeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bedoeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bedoeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bedoeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bedoeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bedoeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bedoeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bedoeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bedoeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bedoeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bedoeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bedoeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bedoeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bedoeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bedoeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bedoeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bedoeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bedoeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bedoeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bedoeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bedoeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bedoeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bedoeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bedoeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bedoeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bedoeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bedoeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bedoeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bedoeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bedoeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bedoeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bedoeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bedoeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bedoeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bedoeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bedoeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bedoeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bedoeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bedoeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bedoeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bedoeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bedoeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bedoeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bedoeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bedoeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bedoelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult bedoeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bedoeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bedoeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bedoelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘zich ten doel stellen, aanduiden’ voor het eerst aangetroffen in 1731

Woordfamilie van bedoelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bedoel gebiedende wijs bedoelen
bedoelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bedoelen
bedoele aanvoegende wijs bedoelen
bedoelend onvoltooid deelwoord bedoelen
bedoelende woordvorm bedoelen
bedoelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bedoelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bedoelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over bedoelen

Hoe spreek ik bedoelen uit?
Zo spreek je bedoelen uit: /bəˈdulə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van bedoelen?
Bedoelen is een werkwoord. De betekenis is: met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bedoelen?
Zo vervoeg je bedoelen zo: de tegenwoordige tijd is bedoel, de verleden tijd is bedoelde en het voltooid deelwoord is bedoeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op bedoelen?

Op bedoelen rijmen 19 woorden, onder andere voelen, stoelen en spoelen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op bedoelen, uitspraak bəˈdulən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
voelen 2
stoelen 2
spoelen 2
doelen 2
joelen 2
krioelen 3
boelen 2
doorwoelen 3
getijdepoelen 5
karnstoelen 4
lustgevoelen 4
meerderwaardigheidsgevoelen 8
minderwaardigheidsgevoelen 8
onderbuikgevoelen 6
onveiligheidsgevoelen 7
orgelstoelen 4
poelen 2
rechtsgevoelen 4
stroelen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bedoelen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bedoelen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bedoelen in het kort

bedoelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bedoelen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bedoelen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bedoelen: met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
Deel bedoelen — standaardnederlands.nl