handbal
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhɑndbɑlBetekenis
- teamsport waarbij de bal in het doel van de tegenpartij gegooid moet worden.
- kleine bal waarmee men gooit.
- deel van de hand
Hoe spreek je handbal uit?
/ˈhɑndbɑl/
Handbal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| b | bak |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| handballen | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| handballen | meervoud |
| handballetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| handballetjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| handballen | meervoud |
| handballetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| handballetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van handballen
- gebiedende wijs van handballen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van handballen
Vervoeging van handbal
handbalhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van hand en bal
Woordfamilie van handbal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| handballetje | verkleinwoord | handbal |
| handballetjes | verkleinwoord meervoud | handbal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handbal zijn vastgelegd.