doelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈdulən/Betekenis
Hoe spreek je doelen uit?
/ˈdulən/
Doelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| u | boek |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~ op: verwijzen naar iets
- ~ op: zinspelen op
Vervoeging van doelen
doelenhele werkwoord — doeldeverleden tijd enkelvoud — doeldenverleden tijd meervoud — gedoeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doel | doelde |
| jij | doelt | doelde |
| hij, zij, het | doelt | doelde |
| wij | doelen | doelden |
| jullie | doelen | doelden |
| zij | doelen | doelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| doel | gebiedende wijs |
| doelde | verleden tijd |
| doele | aanvoegende wijs |
| doelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedoeld | verleden tijd, deelwoord |
| gedoeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedoeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal doelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou doelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult doelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord doel
Herkomst
In de betekenis van ‘mikken’ aangetroffen vanaf 1623
Woordfamilie van doelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doelde | verleden tijd | doelen |
| doelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doelen |
| doele | aanvoegende wijs | doelen |
| doelend | onvoltooid deelwoord | doelen |
| doelende | woordvorm | doelen |
| doelens | meervoud | doelen |
| doelentje | woordvorm | doelen |
| doelentjes | meervoud | doelen |
| doelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doelen |
| gedoeld | voltooid deelwoord | doelen |
| gedoelde | woordvorm | doelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doelen zijn vastgelegd.