Naar de inhoud

boffen

geluk hebben

boffen is meer dan één woord

boffen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. geluk hebben

Vervoeging van boffen

boffenhele werkwoord — bofteverleden tijd enkelvoud — boftenverleden tijd meervoud — geboftvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bof bofte
jij boft bofte
hij, zij, het boft bofte
wij boffen boften
jullie boffen boften
zij boffen boften
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bof gebiedende wijs
boffe aanvoegende wijs
boffend onvoltooid, deelwoord
bofte verleden tijd
ev. gebiedende wijs
geboft verleden tijd, deelwoord
geboft te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geboft zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geboft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geboft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geboft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geboft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geboft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geboft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geboft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geboft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geboft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geboft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geboft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geboft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geboft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geboft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geboft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te boffen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geboft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen boffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal boffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal boffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal boffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geboft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geboft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geboft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou boffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou boffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou boffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geboft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geboft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geboft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden boffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden boffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden boffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geboft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geboft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geboft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt boffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geboft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen boffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen boffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen boffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen boffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geboft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geboft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geboft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult boffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geboft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord bof

Herkomst

In de betekenis van ‘geluk hebben’ voor het eerst aangetroffen in 1866

Woordfamilie van boffen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
boffe aanvoegende wijs boffen
boffend onvoltooid deelwoord boffen
boffende woordvorm boffen
boft aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon boffen
bofte verleden tijd boffen
boften aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon boffen
geboft voltooid deelwoord boffen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boffen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over boffen

Wat is de betekenis van boffen?
Boffen is een werkwoord. De betekenis is: geluk hebben.
Hoe vervoeg ik boffen?
Zo vervoeg je boffen zo: de tegenwoordige tijd is bof, de verleden tijd is bofte en het voltooid deelwoord is geboft. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord boffen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. O 1
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

boffen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. O 1
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. 15 zonder bonus
  8. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

boffen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

boffen in het kort

boffen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van boffen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort boffen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

boffen: geluk hebben
Deel boffen — standaardnederlands.nl