boffen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- geluk hebben
Vervoeging van boffen
boffenhele werkwoord — bofteverleden tijd enkelvoud — boftenverleden tijd meervoud — geboftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bof | bofte |
| jij | boft | bofte |
| hij, zij, het | boft | bofte |
| wij | boffen | boften |
| jullie | boffen | boften |
| zij | boffen | boften |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bof | gebiedende wijs |
| boffe | aanvoegende wijs |
| boffend | onvoltooid, deelwoord |
| bofte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboft | verleden tijd, deelwoord |
| geboft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal boffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou boffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bof
Herkomst
In de betekenis van ‘geluk hebben’ voor het eerst aangetroffen in 1866
Woordfamilie van boffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boffe | aanvoegende wijs | boffen |
| boffend | onvoltooid deelwoord | boffen |
| boffende | woordvorm | boffen |
| boft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | boffen |
| bofte | verleden tijd | boffen |
| boften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | boffen |
| geboft | voltooid deelwoord | boffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boffen zijn vastgelegd.