betreden
werkwoord bəˈtredə(n)Betekenis
- zich ergens (met de voeten) op begeven
Hoe spreek je betreden uit?
/bəˈtredən/
Betreden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| t | tak |
| r | rood |
| e | veel |
| d | dak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- de wereld betreden: geboren worden
Vervoeging van betreden
betredenhele werkwoord — betradverleden tijd enkelvoud — betradenverleden tijd meervoud — betredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betreed | betrad |
| jij | betreedt | betrad |
| hij, zij, het | betreedt | betrad |
| wij | betreden | betraden |
| jullie | betreden | betraden |
| zij | betreden | betraden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betrad | verleden tijd |
| betrede | aanvoegende wijs |
| betreden | verleden tijd, deelwoord |
| betreden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betreden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betreden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betreden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betreden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betreden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betreden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betreden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betreden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betreden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betredend | onvoltooid, deelwoord |
| betreed | gebiedende wijs |
| er is betreden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was betreden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd betreden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt betreden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal betreden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal betreden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou betreden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou betreden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had betreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had betreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden betreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden betreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te betreden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben betreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen betreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was betreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was betreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen betreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Vervoeging van betreden
betredenhele werkwoord — betradverleden tijd enkelvoud — betradenverleden tijd meervoud — betredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betreed | betrad |
| jij | betreedt | betrad |
| hij, zij, het | betreedt | betrad |
| wij | betreden | betraden |
| jullie | betreden | betraden |
| zij | betreden | betraden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betrad | verleden tijd |
| betrede | aanvoegende wijs |
| betreden | verleden tijd, deelwoord |
| betreden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betreden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betreden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betreden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betreden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betreden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betreden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betreden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betreden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betreden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betredend | onvoltooid, deelwoord |
| betreed | gebiedende wijs |
| er is betreden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was betreden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd betreden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt betreden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal betreden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal betreden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou betreden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou betreden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had betreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had betreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden betreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden betreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te betreden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben betreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen betreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was betreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was betreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was betreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt betreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt betreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt betreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt betreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt betreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen betreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult betreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult betreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van treden met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van betreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betrad | verleden tijd | betreden |
| betraden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | betreden |
| betrede | aanvoegende wijs | betreden |
| betredend | onvoltooid deelwoord | betreden |
| betredende | woordvorm | betreden |
| betreed | gebiedende wijs | betreden |
| betreedt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | betreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betreden zijn vastgelegd.