kleden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈkledə(n)Betekenis
- kleren aandoen
- zich ~: met weefsel bedekken, van kleding voorzien
Hoe spreek je kleden uit?
/ˈkledən/
Kleden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kleden
kledenhele werkwoord — kleeddeverleden tijd enkelvoud — kleeddenverleden tijd meervoud — gekleedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kleed | kleedde |
| jij | kleedt | kleedde |
| hij, zij, het | kleedt | kleedde |
| wij | kleden | kleedden |
| jullie | kleden | kleedden |
| zij | kleden | kleedden |
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gekleed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekleed | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekleed | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekleed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekleed worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekleed zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekleed worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekleed zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekleed | verleden tijd, deelwoord |
| gekleed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekleed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klede | aanvoegende wijs |
| klede zich | aanvoegende wijs |
| kleden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kleden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kleden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kledend | onvoltooid, deelwoord |
| kleed | gebiedende wijs |
| kleed me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kleed u/je , kleedt je | gebiedende wijs |
| kleedde | verleden tijd |
| kleedde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kleedde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kleedde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| kleedde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kleedde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kleedde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| kleedde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kleedden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kleedden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| kleedden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| kleedt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kleedt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kleedt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kleedt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kleedt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kleedt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben gekleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kleden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me kleden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich kleden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je kleden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gekleed hebben | verleden tijd |
| zich kledend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je kleden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen kleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ons kleden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich kleden | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u kleden | tweede persoon |
| zult u kleden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u kleden | tweede persoon |
| zult zich/u kleden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kleed
Woordfamilie van kleden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klede | aanvoegende wijs | kleden |
| kledend | onvoltooid deelwoord | kleden |
| kledende | woordvorm | kleden |
| kleedde | verleden tijd | kleden |
| kleedden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kleden |
| kleedt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kleden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleden zijn vastgelegd.