Naar de inhoud

aftroggelen

door aanhoudende vriendelijke bede en zoet gevlei iets van iemand verkrijgen, op slinkse manier loskrijgen

aftroggelen

werkwoord /ˈɑftrɔɣələ(n)/

Betekenis

  1. door aanhoudende vriendelijke bede en zoet gevlei iets van iemand verkrijgen, op slinkse manier loskrijgen

Hoe spreek je aftroggelen uit?

/ˈɑftrɔxələn/

Aftroggelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑftrɔxələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
t tak
r rood
ɔ bot
x acht
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aftroggelen

aftroggelenhele werkwoord — troggelde afverleden tijd enkelvoud — troggelden afverleden tijd meervoud — afgetroggeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik troggel af troggelde af
jij troggelt af troggelde af
hij, zij, het troggelt af troggelde af
wij troggelen af troggelden af
jullie troggelen af troggelden af
zij troggelen af troggelden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te troggelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen troggelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal troggelen bijzin, toekomende tijd
af zou troggelen bijzin, voorwaardelijk
af zouden troggelen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt troggelen bijzin, voorwaardelijk
af zullen troggelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen troggelen bijzin, toekomende tijd
af zult troggelen bijzin, toekomende tijd
afgetroggeld verleden tijd, deelwoord
afgetroggeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgetroggeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgetroggeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgetroggeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgetroggeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgetroggeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgetroggeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgetroggeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgetroggeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgetroggeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aftroggel bijzin, tegenwoordige tijd
aftroggelde bijzin, verleden tijd
aftroggelden bijzin, verleden tijd
aftroggelend onvoltooid, deelwoord
aftroggelt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgetroggeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgetroggeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgetroggeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgetroggeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgetroggeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgetroggeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgetroggeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgetroggeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgetroggeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgetroggeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgetroggeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgetroggeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgetroggeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgetroggeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgetroggeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgetroggeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgetroggeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aftroggelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
troggel af gebiedende wijs
troggelde af verleden tijd
waart afgetroggeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgetroggeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgetroggeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgetroggeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgetroggeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgetroggeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgetroggeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgetroggeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgetroggeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgetroggeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgetroggeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgetroggeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgetroggeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aftroggelen bijzin, toekomende tijd
zijn afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgetroggeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgetroggeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgetroggeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgetroggeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgetroggeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgetroggeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgetroggeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aftroggelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aftroggelen af zou(dt) troggelen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgetroggeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgetroggeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgetroggeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgetroggeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgetroggeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgetroggeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aftroggelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgetroggeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgetroggeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aftroggelen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgetroggeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgetroggeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgetroggeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgetroggeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgetroggeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgetroggeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgetroggeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aftroggelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aftroggelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aftroggelen bijzin, toekomende tijd
zult afgetroggeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘afhandig maken’ voor het eerst aangetroffen in 1644

Woordfamilie van aftroggelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgetroggeld voltooid deelwoord aftroggelen
afgetroggelde woordvorm aftroggelen
aftroggel subordinate-clause, tegenwoordige tijd aftroggelen
aftroggelde subordinate-clause, verleden tijd aftroggelen
aftroggelden subordinate-clause, verleden tijd aftroggelen
aftroggele with-subordinate-clause aftroggelen
aftroggelend onvoltooid deelwoord aftroggelen
aftroggelende woordvorm aftroggelen
aftroggelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aftroggelen
troggel af gebiedende wijs aftroggelen
troggelde af verleden tijd aftroggelen
troggelden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aftroggelen
troggele af woordvorm aftroggelen
troggelen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aftroggelen
troggelt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aftroggelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftroggelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over aftroggelen

Hoe spreek je aftroggelen uit?
De uitspraak van aftroggelen is: /ˈɑftrɔɣələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aftroggelen?
Aftroggelen is een werkwoord. Het woord betekent: door aanhoudende vriendelijke bede en zoet gevlei iets van iemand verkrijgen, op slinkse manier loskrijgen.
Hoe vervoeg je aftroggelen?
Je vervoegt aftroggelen als volgt: het voltooid deelwoord is afgetroggeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aftroggelen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. T 2
  4. R 2
  5. O 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aftroggelen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. T 2
  4. R 2
  5. O 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aftroggelen in het kort

aftroggelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aftroggelen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aftroggelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aftroggelen: door aanhoudende vriendelijke bede en zoet gevlei iets van iemand verkrijgen, op slinkse manier loskrijgen
Deel aftroggelen — standaardnederlands.nl