bietsen
werkwoordBetekenis
- bedelen om, (iets) afbedelen, klaplopen (heel vaak sigaretten)
- (iets) 'lenen' en niet teruggeven
werkwoord
- bedelen om, (iets) afbedelen, klaplopen (vaak voor sigaretten) informal, transitive
- 'lenen' en niet teruggeven informal, transitive
Vervoeging van bietsen
bietsenhele werkwoord — bietsteverleden tijd enkelvoud — bietstenverleden tijd meervoud — gebietstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | biets | bietste |
| jij | bietst | bietste |
| hij, zij, het | bietst | bietste |
| wij | bietsen | bietsten |
| jullie | bietsen | bietsten |
| zij | bietsen | bietsten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| biets | gebiedende wijs |
| bietse | aanvoegende wijs |
| bietsend | onvoltooid, deelwoord |
| bietste | verleden tijd |
| er is gebietst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebietst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebietst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebietst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebietst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebietst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebietst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebietst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebietst | verleden tijd, deelwoord |
| gebietst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebietst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebietst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebietst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebietst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebietst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebietst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebietst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebietst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebietst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebietst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bietsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebietst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bietsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebietst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebietst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebietst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bietsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebietst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebietst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebietst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebietst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van het Amerikaans-Engels beachcomber “werkloze matroos die in de haven rondhangt” , in de betekenis van ‘bedelen’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van bietsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| biets | gebiedende wijs | bietsen |
| bietse | aanvoegende wijs | bietsen |
| bietsend | onvoltooid deelwoord | bietsen |
| bietsende | woordvorm | bietsen |
| bietst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bietsen |
| bietste | verleden tijd | bietsen |
| bietsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bietsen |
| gebietst | voltooid deelwoord | bietsen |
| gebietste | woordvorm | bietsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bietsen zijn vastgelegd.