gappen
werkwoordBetekenis
- iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen, stelen, pikken
Vervoeging van gappen
gappenhele werkwoord — gapteverleden tijd enkelvoud — gaptenverleden tijd meervoud — gegaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gap | gapte |
| jij | gapt | gapte |
| hij, zij, het | gapt | gapte |
| wij | gappen | gapten |
| jullie | gappen | gapten |
| zij | gappen | gapten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gap | gebiedende wijs |
| gappe | aanvoegende wijs |
| gappend | onvoltooid, deelwoord |
| gapte | verleden tijd |
| gegapt | verleden tijd, deelwoord |
| gegapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gegapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gegapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou gappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gegapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt gappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gegapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen gappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gegapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult gappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gegapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘stelen’ voor het eerst aangetroffen in 1875
Woordfamilie van gappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gap | gebiedende wijs | gappen |
| gappe | aanvoegende wijs | gappen |
| gappend | onvoltooid deelwoord | gappen |
| gappende | woordvorm | gappen |
| gapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gappen |
| gapte | verleden tijd | gappen |
| gapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gappen |
| gegapt | voltooid deelwoord | gappen |
| gegapte | woordvorm | gappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gappen zijn vastgelegd.