Naar de inhoud

afpakken

ontnemen, afnemen

afpakken

werkwoord ˈɑfpɑkə(n)

Betekenis

  1. ontnemen, afnemen

Hoe spreek je afpakken uit?

/ˈɑfpɑkən/

Afpakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfpɑkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
p pak
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afpakken

afpakkenhele werkwoord — pakte afverleden tijd enkelvoud — pakten afverleden tijd meervoud — afgepaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pak af pakte af
jij pakt af pakte af
hij, zij, het pakt af pakte af
wij pakken af pakten af
jullie pakken af pakten af
zij pakken af pakten af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te pakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen pakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal pakken bijzin, toekomende tijd
af zou pakken bijzin, voorwaardelijk
af zouden pakken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt pakken bijzin, voorwaardelijk
af zullen pakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen pakken bijzin, toekomende tijd
af zult pakken bijzin, toekomende tijd
afgepakt verleden tijd, deelwoord
afgepakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgepakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgepakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgepakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgepakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgepakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgepakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgepakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgepakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgepakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afpak bijzin, tegenwoordige tijd
afpakkend onvoltooid, deelwoord
afpakt bijzin, tegenwoordige tijd
afpakte bijzin, verleden tijd
afpakten bijzin, verleden tijd
ben afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgepakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgepakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgepakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgepakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgepakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgepakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgepakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgepakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pak af gebiedende wijs
pakte af verleden tijd
te hebben afgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afpakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afpakken bijzin, toekomende tijd
zijn afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afpakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afpakken af zou(dt) pakken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afpakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afpakken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afpakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afpakken bijzin, toekomende tijd
zult afgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en pakken ww

Woordfamilie van afpakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgepakt voltooid deelwoord afpakken
afgepakte woordvorm afpakken
afpak subordinate-clause, tegenwoordige tijd afpakken
afpakke with-subordinate-clause afpakken
afpakkend onvoltooid deelwoord afpakken
afpakkende woordvorm afpakken
afpakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afpakken
afpakte subordinate-clause, verleden tijd afpakken
afpakten subordinate-clause, verleden tijd afpakken
pak af gebiedende wijs afpakken
pakke af woordvorm afpakken
pakken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afpakken
pakt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afpakken
pakte af verleden tijd afpakken
pakten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afpakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afpakken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afpakken

Hoe spreek je afpakken uit?
De uitspraak van afpakken is: /ˈɑfpɑkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent afpakken?
Afpakken is een werkwoord. Het woord betekent: ontnemen, afnemen.
Hoe vervoeg je afpakken?
Je vervoegt afpakken als volgt: het voltooid deelwoord is afgepakt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afpakken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. P 3
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afpakken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. P 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afpakken in het kort

afpakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afpakken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afpakken bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afpakken: ontnemen, afnemen
Deel afpakken — standaardnederlands.nl