zooi
zelfstandig naamwoord, werkwoord /zoːi̯/Betekenis
- warboel, puinhoop
- kooksel; dat wat langdurig samen gekookt wordt
Hoe spreek je zooi uit?
/zoi/
Zooi bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| o | boot |
| i | riet |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zooien | meervoud |
| zooitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zooitjes | verkleinwoord, meervoud |
| zootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zootjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zooien
- gebiedende wijs van zooien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zooien
Vervoeging van zooi
zooihele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘(grote, ongeregelde) hoeveelheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1633
Woordfamilie van zooi
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zooitje | verkleinwoord | zooi |
| zooitjes | verkleinwoord meervoud | zooi |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zooi zijn vastgelegd.