zolen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /zolə(n)/Betekenis
- het aanbrengen van een zool onder een schoen
Hoe spreek je zolen uit?
/zolən/
Zolen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| o | boot |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van zolen
zolenhele werkwoord — zooldeverleden tijd enkelvoud — zooldenverleden tijd meervoud — gezooldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zool | zoolde |
| jij | zoolt | zoolde |
| hij, zij, het | zoolt | zoolde |
| wij | zolen | zoolden |
| jullie | zolen | zoolden |
| zij | zolen | zoolden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezoold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezoold | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezoold | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezoold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezoold worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezoold zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezoold worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezoold zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezoold | verleden tijd, deelwoord |
| gezoold te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezoold te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezoold te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoold te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoold te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoold worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezoold zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezoold zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezoold zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezoold zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zolen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezoold zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezoold zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zole | aanvoegende wijs |
| zolend | onvoltooid, deelwoord |
| zool | gebiedende wijs |
| zoolde | verleden tijd |
| zou gezoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezoold zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezoold zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezoold zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezoold zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zool
Woordfamilie van zolen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezoold | voltooid deelwoord | zolen |
| gezoolde | woordvorm | zolen |
| zole | aanvoegende wijs | zolen |
| zolend | onvoltooid deelwoord | zolen |
| zolende | woordvorm | zolen |
| zoolde | verleden tijd | zolen |
| zoolden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zolen |
| zoolt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zolen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zolen zijn vastgelegd.