beitel
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'bɛɪtəlBetekenis
- een staafvormig, scherp stuk gereedschap met een punt of wigvormige snede aan de 'kopse kant'
Hoe spreek je beitel uit?
/ˈbɛitəl/
Beitel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een staafvormig, scherp stuk gereedschap met een punt of wigvormige snede aan de "kopse kant"
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beitels | meervoud |
| beiteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| beiteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beitelen
- gebiedende wijs van beitelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beitelen
Vervoeging van beitel
beitelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stuk gereedschap’ voor het eerst aangetroffen in 1320
Woordfamilie van beitel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beitels | meervoud | beitel |
| beiteltje | verkleinwoord | beitel |
| beiteltjes | verkleinwoord meervoud | beitel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beitel zijn vastgelegd.