zeeg
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- bolling van een oppervlak of lijn
- geit
- aan mensen en de omstandigheden van de jacht gewend zijn van een vogel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van zijgen
Vervoeging van zeeg
zeeghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gebogen lijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1697
Woordfamilie van zeeg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeegst | woordvorm | zeeg |
| zeegste | woordvorm | zeeg |
| zeger | woordvorm | zeeg |
| zegere | woordvorm | zeeg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeeg zijn vastgelegd.