neerzijgen
werkwoordBetekenis
- naar beneden, op de grond zakken
Vervoeging van neerzijgen
neerzijgenhele werkwoord — zeeg neerverleden tijd enkelvoud — zegen neerverleden tijd meervoud — neergezegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zijg neer | zeeg neer |
| jij | zijgt neer | zeeg neer |
| hij, zij, het | zijgt neer | zeeg neer |
| wij | zijgen neer | zegen neer |
| jullie | zijgen neer | zegen neer |
| zij | zijgen neer | zegen neer |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben neergezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent neergezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is neergezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is neergezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neer te zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal zijgen | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou zijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden zijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt zijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen zijgen | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult zijgen | bijzin, toekomende tijd |
| neergezegen | verleden tijd, deelwoord |
| neergezegen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezegen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerzeeg | bijzin, verleden tijd |
| neerzegen | bijzin, verleden tijd |
| neerzijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerzijgend | onvoltooid, deelwoord |
| neerzijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te zijn neergezegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerzijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart neergezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergezegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren neergezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergezegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was neergezegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was neergezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was neergezegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal neergezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerzijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zeeg neer | verleden tijd |
| zijg neer | gebiedende wijs |
| zijn neergezegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn neergezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn neergezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn neergezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt neergezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou neergezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerzijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerzijgen neer zou(dt) zijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerzijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerzijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerzijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerzijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neerzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult neerzijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal neerzijgen neer zult/zal zijgen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van neer en zijgen
Woordfamilie van neerzijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| neergezegen | voltooid deelwoord | neerzijgen |
| neerzeeg | subordinate-clause, verleden tijd | neerzijgen |
| neerzegen | subordinate-clause, verleden tijd | neerzijgen |
| neerzijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerzijgen |
| neerzijge | with-subordinate-clause | neerzijgen |
| neerzijgend | onvoltooid deelwoord | neerzijgen |
| neerzijgende | woordvorm | neerzijgen |
| neerzijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerzijgen |
| zeeg neer | verleden tijd | neerzijgen |
| zegen neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | neerzijgen |
| zijg neer | gebiedende wijs | neerzijgen |
| zijge neer | woordvorm | neerzijgen |
| zijgen neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | neerzijgen |
| zijgt neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | neerzijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerzijgen zijn vastgelegd.