wonen
werkwoord ˈwonə(n)Betekenis
- een permanente behuizing hebben
Hoe spreek je wonen uit?
/ˈwonən/
Wonen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| o | boot |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wonen
wonenhele werkwoord — woondeverleden tijd enkelvoud — woondenverleden tijd meervoud — gewoondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | woon | woonde |
| jij | woont | woonde |
| hij, zij, het | woont | woonde |
| wij | wonen | woonden |
| jullie | wonen | woonden |
| zij | wonen | woonden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gewoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewoond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewoond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewoond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewoond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewoond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewoond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewoond | verleden tijd, deelwoord |
| gewoond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewoond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wonen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wone | aanvoegende wijs |
| wonend | onvoltooid, deelwoord |
| woon | gebiedende wijs |
| woonde | verleden tijd |
| zal gewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘gehuisvest zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van wonen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewoond | voltooid deelwoord | wonen |
| wone | aanvoegende wijs | wonen |
| wonend | onvoltooid deelwoord | wonen |
| wonende | woordvorm | wonen |
| woonde | verleden tijd | wonen |
| woonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wonen |
| woont | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wonen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wonen zijn vastgelegd.