onttronen
werkwoord /ɔn'tronə(n)/Betekenis
- iemand van de macht beroven
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Hoe spreek je onttronen uit?
/ɔnˈtronən/
Onttronen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| r | rood |
| o | boot |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van onttronen
onttronenhele werkwoord — onttroondeverleden tijd enkelvoud — onttroondenverleden tijd meervoud — onttroondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | onttroon | onttroonde |
| jij | onttroont | onttroonde |
| hij, zij, het | onttroont | onttroonde |
| wij | onttronen | onttroonden |
| jullie | onttronen | onttroonden |
| zij | onttronen | onttroonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is onttroond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was onttroond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd onttroond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt onttroond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal onttroond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal onttroond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou onttroond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou onttroond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had onttroond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had onttroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had onttroond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden onttroond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden onttroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden onttroond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt onttroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onttroond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onttrone | aanvoegende wijs |
| onttronend | onvoltooid, deelwoord |
| onttroon | gebiedende wijs |
| onttroond | verleden tijd, deelwoord |
| onttroond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onttroond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onttroond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onttroond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onttroond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onttroond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onttroond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onttroond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onttroond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onttroond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onttroonde | verleden tijd |
| te hebben onttroond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te onttronen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen onttronen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart onttroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onttroond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren onttroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onttroond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was onttroond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was onttroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was onttroond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd onttroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd onttroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd onttroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden onttroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden onttroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden onttroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt onttroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word onttroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden onttroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden onttroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden onttroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt onttroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt onttroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal onttroond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onttroond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal onttroond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal onttroond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onttroond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt onttroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou onttroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onttroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onttroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onttroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onttroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onttroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden onttroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onttroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onttroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onttroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onttroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onttroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt onttroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onttroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen onttronen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen onttroond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen onttroond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen onttroond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onttroond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen onttroond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen onttroond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult onttronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult onttroond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onttroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onttroond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van troon met het voorvoegsel ont-.
Woordfamilie van onttronen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onttrone | aanvoegende wijs | onttronen |
| onttronend | onvoltooid deelwoord | onttronen |
| onttronende | woordvorm | onttronen |
| onttroon | gebiedende wijs | onttronen |
| onttroond | voltooid deelwoord | onttronen |
| onttroonde | verleden tijd | onttronen |
| onttroonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | onttronen |
| onttroont | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | onttronen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onttronen zijn vastgelegd.