Naar de inhoud

vergoeden

iemand iets ~: aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade

vergoeden

werkwoord vərˈɣudə(n)

Betekenis

  1. iemand iets ~: aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade

Hoe spreek je vergoeden uit?

/vərˈxudən/

Vergoeden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈxudən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
x acht
u boek
d dak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van vergoeden

vergoedenhele werkwoord — vergoeddeverleden tijd enkelvoud — vergoeddenverleden tijd meervoud — vergoedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vergoed vergoedde
jij vergoedt vergoedde
hij, zij, het vergoedt vergoedde
wij vergoeden vergoedden
jullie vergoeden vergoedden
zij vergoeden vergoedden
Alle 187 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vergoed impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vergoed impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vergoed impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vergoed impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vergoed worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vergoed zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vergoed worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vergoed zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vergoed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vergoed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vergoed voltooid, verleden tijd, derde persoon
had vergoed gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vergoed gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vergoed gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vergoed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vergoed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vergoed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vergoed gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vergoed gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vergoed gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vergoed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt vergoed gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb vergoed gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergoed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben vergoed gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergoed gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vergoed gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt vergoed gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft vergoed gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergoed gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
te hebben vergoed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vergoeden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vergoeden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergoed gebiedende wijs
vergoed verleden tijd, deelwoord
vergoed gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vergoed gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vergoed gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergoed gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergoed krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vergoed te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vergoed te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vergoed te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vergoed te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergoed te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergoed te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergoed te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergoed worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vergoed zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vergoed zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergoed zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergoed zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergoed zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergoedde verleden tijd
vergoede aanvoegende wijs
vergoedend onvoltooid, deelwoord
waart vergoed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vergoed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vergoed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vergoed voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vergoed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vergoed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vergoed voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vergoed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vergoed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal vergoed gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergoed gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vergoed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergoed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vergoed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vergoed krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergoed krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vergoed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergoed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vergoed zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergoed zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vergoeden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vergoeden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vergoeden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vergoed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vergoed gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergoed gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergoed gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vergoed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergoed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergoed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vergoed krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergoed krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vergoed krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergoed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergoed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vergoed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergoed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergoed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergoed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vergoeden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vergoeden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vergoeden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden vergoed gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vergoed gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van goed met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van vergoeden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vergoed voltooid deelwoord vergoeden
vergoedde verleden tijd vergoeden
vergoedden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vergoeden
vergoede aanvoegende wijs vergoeden
vergoedend onvoltooid deelwoord vergoeden
vergoedende woordvorm vergoeden
vergoedt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vergoeden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergoeden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over vergoeden

Hoe spreek je vergoeden uit?
De uitspraak van vergoeden is: /vərˈɣudə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent vergoeden?
Vergoeden is een werkwoord. Het woord betekent: iemand iets ~: aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade.
Hoe vervoeg je vergoeden?
Je vervoegt vergoeden als volgt: de tegenwoordige tijd is vergoed, de verleden tijd is vergoedde en het voltooid deelwoord is vergoed. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op vergoeden?

Vergoeden rijmt op 9 woorden op -oeden; voeden, bloeden en broeden bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op vergoeden, uitspraak vərˈxudən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
voeden 2
bloeden 2
broeden 2
vermoeden 3
hoeden 2
behoeden 3
joeden 2
levensmoeden 4
wederspoeden 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vergoeden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. G 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vergoeden levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. G 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vergoeden in het kort

vergoeden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vergoeden zijn 107 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vergoeden bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vergoeden: iemand iets ~: aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
Deel vergoeden — standaardnederlands.nl