bloeden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbludə(n)Betekenis
- het vloeien van bloed uit het lichaam
Hoe spreek je bloeden uit?
/ˈbludən/
Bloeden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| u | boek |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bloeden
bloedenhele werkwoord — bloeddeverleden tijd enkelvoud — bloeddenverleden tijd meervoud — gebloedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bloed | bloedde |
| jij | bloedt | bloedde |
| hij, zij, het | bloedt | bloedde |
| wij | bloeden | bloedden |
| jullie | bloeden | bloedden |
| zij | bloeden | bloedden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bloed | gebiedende wijs |
| bloedde | verleden tijd |
| bloede | aanvoegende wijs |
| bloedend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebloed | verleden tijd, deelwoord |
| gebloed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebloed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebloed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebloed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebloed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebloed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebloed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebloed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebloed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebloed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebloed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebloed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebloed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebloed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebloed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebloed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebloed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bloeden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebloed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bloeden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebloed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebloed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebloed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebloed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebloed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebloed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebloed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebloed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebloed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebloed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bloeden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebloed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebloed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebloed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bloeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebloed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bloed
Herkomst
afgeleid van bloed met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van bloeden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bloedde | verleden tijd | bloeden |
| bloedden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bloeden |
| bloedt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bloeden |
| gebloed | voltooid deelwoord | bloeden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bloeden zijn vastgelegd.