broeden
werkwoord /'bru.də(n)/Betekenis
- een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
- op: (een plan) in het geheim beramen, uitdenken
Hoe spreek je broeden uit?
/ˈbrudən/
Broeden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| u | boek |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~ op: (een plan) in het geheim beramen, uitdenken
Vervoeging van broeden
broedenhele werkwoord — broeddeverleden tijd enkelvoud — broeddenverleden tijd meervoud — gebroedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | broed | broedde |
| jij | broedt | broedde |
| hij, zij, het | broedt | broedde |
| wij | broeden | broedden |
| jullie | broeden | broedden |
| zij | broeden | broedden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| broed | gebiedende wijs |
| broedde | verleden tijd |
| broede | aanvoegende wijs |
| broedend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebroed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebroed | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebroed | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebroed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebroed worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebroed zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebroed worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebroed zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebroed | verleden tijd, deelwoord |
| gebroed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebroed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebroed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebroed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebroed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebroed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebroed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebroed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebroed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebroed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebroed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebroed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebroed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebroed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebroed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebroed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebroed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te broeden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebroed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen broeden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal broeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal broeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal broeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebroed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebroed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebroed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou broeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou broeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou broeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebroed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebroed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebroed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden broeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden broeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden broeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebroed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebroed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebroed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt broeden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebroed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen broeden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen broeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen broeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen broeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebroed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebroed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebroed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult broeden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebroed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘op eieren zitten’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van broeden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| broedde | verleden tijd | broeden |
| broedden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | broeden |
| broede | aanvoegende wijs | broeden |
| broedt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | broeden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van broeden zijn vastgelegd.