goedmaken
werkwoord ˈɣutmakə(n)Betekenis
- een oorzaak van wrevel of onvrede wegnemen
- financieel compensatie aanbieden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je goedmaken uit?
/ˈxutmakən/
Goedmaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| u | boek |
| t | tak |
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van goedmaken
goedmakenhele werkwoord — maakte goedverleden tijd enkelvoud — maakten goedverleden tijd meervoud — goedgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak goed | maakte goed |
| jij | maakt goed | maakte goed |
| hij, zij, het | maakt goed | maakte goed |
| wij | maken goed | maakten goed |
| jullie | maken goed | maakten goed |
| zij | maken goed | maakten goed |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is goedgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was goedgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd goedgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt goedgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal goedgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal goedgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou goedgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou goedgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| goed te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| goed te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| goed zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| goed zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| goed zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| goed zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| goed zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| goed zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| goed zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| goedgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| goedgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| goedgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| goedmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| goedmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| goedmaakte | bijzin, verleden tijd |
| goedmaakten | bijzin, verleden tijd |
| goedmakend | onvoltooid, deelwoord |
| had goedgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had goedgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had goedgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden goedgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden goedgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden goedgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt goedgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb goedgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben goedgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben goedgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben goedgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben goedgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt goedgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft goedgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft goedgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak goed | gebiedende wijs |
| maakte goed | verleden tijd |
| te hebben goedgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen goedmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal goedgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal goedgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal goedgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal goedmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zou goedgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou goedgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou goedgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou goedmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) goedmaken goed zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden goedgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden goedgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden goedgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden goedmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt goedgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt goedmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen goedgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen goedgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen goedgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen goedmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen goedmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult goedgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult goedmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult goedmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal goedmaken goed zult/zal maken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van goed en maken
Woordfamilie van goedmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| goedgemaakt | voltooid deelwoord | goedmaken |
| goedgemaakte | woordvorm | goedmaken |
| goedmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | goedmaken |
| goedmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | goedmaken |
| goedmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | goedmaken |
| goedmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | goedmaken |
| goedmake | with-subordinate-clause | goedmaken |
| goedmakend | onvoltooid deelwoord | goedmaken |
| goedmakende | woordvorm | goedmaken |
| maak goed | gebiedende wijs | goedmaken |
| maakt goed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | goedmaken |
| maakte goed | verleden tijd | goedmaken |
| maakten goed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | goedmaken |
| make goed | woordvorm | goedmaken |
| maken goed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | goedmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van goedmaken zijn vastgelegd.