transistor
zelfstandig naamwoord trɑnˈzɪstɔrBetekenis
- één van de belangrijkste uitvindingen van de twintigste eeuw, halfgeleider die elektrische signalen versterkt. Voorloper van het geïntegreerde circuit en daarmee basiselement van de computer en van internet
- transistorradio
- transistorradio; draagbaar radiotoestel, waarin transistors de actieve functies implementeren
- tranzistorové rádio
Hoe spreek je transistor uit?
/trɑnˈzɪstɔr/
Transistor bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| z | zon |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ɔ | bot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een in de twintigste eeuw uitgevonden halfgeleider die elektrische signalen versterkt, als voorloper van het geïntegreerde circuit (de chip) en daarmee ook een belangrijk basiselement van de computer en internet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| transistoren | meervoud |
| transistors | meervoud |
| transistortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| transistortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kristalversterker, radio die daarop werkt’ voor het eerst aangetroffen in 1953
Woordfamilie van transistor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| transistoren | meervoud | transistor |
| transistors | meervoud | transistor |
| transistortje | verkleinwoord | transistor |
| transistortjes | verkleinwoord meervoud | transistor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van transistor zijn vastgelegd.