tandem
zelfstandig naamwoordBetekenis
- fiets waarbij twee personen de aandrijfkracht kunnen leveren
- bespanning met twee paarden achter elkaar
- twee nauw samenwerkende personen, een duo
- eindelijk
- tenslotte
zelfstandig naamwoord — masculine
- onderdeel van het paringsritueel van libellen, waarbij het mannetje het vrouwtje bij de nek vastneemt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tandempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tandempjes | verkleinwoord, meervoud |
| tandems | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘tweepersoonsfiets’ voor het eerst aangetroffen in 1889
Woordfamilie van tandem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tandempje | verkleinwoord | tandem |
| tandempjes | verkleinwoord meervoud | tandem |
| tandems | meervoud | tandem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tandem zijn vastgelegd.