stoppen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstɔpə(n)Betekenis
- herstellen (van een gat)
- vullen (van een pijp)
- doen halthouden
- ophouden, ermee kappen
Hoe spreek je stoppen uit?
/ˈstɔpən/
Stoppen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- herstellen (van een gat), meestal door dichtnaaien transitive
- een einde nemen, ophouden [1] impersonal
- niet langer doorgaan, ophouden [2] ergative
- iets ergens in doen
Vervoeging van stoppen
stoppenhele werkwoord — stopteverleden tijd enkelvoud — stoptenverleden tijd meervoud — gestoptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stop | stopte |
| jij | stopt | stopte |
| hij, zij, het | stopt | stopte |
| wij | stoppen | stopten |
| jullie | stoppen | stopten |
| zij | stoppen | stopten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestopt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestopt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestopt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestopt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestopt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestopt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestopt | verleden tijd, deelwoord |
| gestopt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestopt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stop | gebiedende wijs |
| stoppe | aanvoegende wijs |
| stoppend | onvoltooid, deelwoord |
| stopte | verleden tijd |
| te hebben gestopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stoppen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stop
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands stoppen / stuppen van Oudnederlands stuppon, in de betekenis van ‘dichtmaken’ aangetroffen vanaf 901 **[3], [4] bij vervoermiddelen: terugontlening van Engels stop ww , in de betekenis van ‘stilstaan’ aangetroffen vanaf 1849
Woordfamilie van stoppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestopt | voltooid deelwoord | stoppen |
| gestopte | woordvorm | stoppen |
| stoppe | aanvoegende wijs | stoppen |
| stoppend | onvoltooid deelwoord | stoppen |
| stoppende | woordvorm | stoppen |
| stopt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stoppen |
| stopte | verleden tijd | stoppen |
| stopten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stoppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoppen zijn vastgelegd.