soppen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsɔpə(n)Betekenis
- voedsel in een drank dopen
- met sop schoonmaken
- (bij het kaartspel tachtigen) moedwillig een hoge kaart niet spelen
- geslachtsgemeenschap hebben
Hoe spreek je soppen uit?
/ˈsɔpən/
Soppen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɔ | bot |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- moedwillig een hoge kaart niet spelen unergative
Vervoeging van soppen
soppenhele werkwoord — sopteverleden tijd enkelvoud — soptenverleden tijd meervoud — gesoptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sop | sopte |
| jij | sopt | sopte |
| hij, zij, het | sopt | sopte |
| wij | soppen | sopten |
| jullie | soppen | sopten |
| zij | soppen | sopten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesopt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesopt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesopt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesopt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesopt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesopt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesopt | verleden tijd, deelwoord |
| gesopt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesopt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sop | gebiedende wijs |
| soppe | aanvoegende wijs |
| soppend | onvoltooid, deelwoord |
| sopte | verleden tijd |
| te hebben gesopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te soppen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen soppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal soppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal soppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal soppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou soppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou soppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou soppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden soppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden soppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden soppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt soppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen soppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen soppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen soppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen soppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult soppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sop
Herkomst
ww: afgeleid van Middelnederlands soppen ww , op te vatten als afgeleid van sop met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van soppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesopt | voltooid deelwoord | soppen |
| gesopte | woordvorm | soppen |
| soppe | aanvoegende wijs | soppen |
| soppend | onvoltooid deelwoord | soppen |
| soppende | woordvorm | soppen |
| sopt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | soppen |
| sopte | verleden tijd | soppen |
| sopten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | soppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van soppen zijn vastgelegd.