spoelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈspulə(n)Betekenis
- blootstellen aan stromend water
- tot een spoel winden
Hoe spreek je spoelen uit?
/ˈspulən/
Spoelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| u | boek |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van spoelen
spoelenhele werkwoord — spoeldeverleden tijd enkelvoud — spoeldenverleden tijd meervoud — gespoeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spoel | spoelde |
| jij | spoelt | spoelde |
| hij, zij, het | spoelt | spoelde |
| wij | spoelen | spoelden |
| jullie | spoelen | spoelden |
| zij | spoelen | spoelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gespoeld | verleden tijd, deelwoord |
| gespoeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespoeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spoel | gebiedende wijs |
| spoelde | verleden tijd |
| spoele | aanvoegende wijs |
| spoelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spoelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spoelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spoelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spoel
Herkomst
In de betekenis van ‘afwassen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1270
Woordfamilie van spoelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespoeld | voltooid deelwoord | spoelen |
| gespoelde | woordvorm | spoelen |
| spoelde | verleden tijd | spoelen |
| spoelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spoelen |
| spoele | aanvoegende wijs | spoelen |
| spoelend | onvoltooid deelwoord | spoelen |
| spoelende | woordvorm | spoelen |
| spoelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spoelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spoelen zijn vastgelegd.