baseren
werkwoordBetekenis
- ~ op: gronden, doen steunen
- zich ~ op: steunen op, uitgaan van
Vervoeging van baseren
baserenhele werkwoord — baseerdeverleden tijd enkelvoud — baseerdenverleden tijd meervoud — gebaseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | baseer | baseerde |
| jij | baseert | baseerde |
| hij, zij, het | baseert | baseerde |
| wij | baseren | baseerden |
| jullie | baseren | baseerden |
| zij | baseren | baseerden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baseer | gebiedende wijs |
| baseer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| baseer u/je , baseert je | gebiedende wijs |
| baseerde | verleden tijd |
| baseerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| baseerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| baseerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| baseerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| baseerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| baseerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| baseerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| baseerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| baseerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| baseerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| baseert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| baseert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| baseert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| baseert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| baseert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| baseert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| basere | aanvoegende wijs |
| basere zich | aanvoegende wijs |
| baseren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| baseren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| baseren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| baserend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebaseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebaseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebaseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebaseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebaseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebaseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebaseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebaseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te baseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebaseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen baseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal baseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal baseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal baseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me baseren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich baseren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je baseren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich baserend | onvoltooid, deelwoord |
| zich gebaseerd hebben | verleden tijd |
| zou baseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou baseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou baseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden baseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden baseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden baseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt baseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen baseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen baseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen baseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen baseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je baseren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons baseren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich baseren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult baseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult u baseren | tweede persoon |
| zult u baseren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u baseren | tweede persoon |
| zult zich/u baseren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘doen steunen’ voor het eerst aangetroffen in 1798
Woordfamilie van baseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baseer | gebiedende wijs | baseren |
| baseerde | verleden tijd | baseren |
| baseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | baseren |
| baseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | baseren |
| basere | aanvoegende wijs | baseren |
| baserend | onvoltooid deelwoord | baseren |
| baserende | woordvorm | baseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van baseren zijn vastgelegd.