krioelen
werkwoord /kriˈjulə(n)/Betekenis
- in grote aantallen willekeurig door elkaar heen bewegen
- vol zijn, druk zijn
Hoe spreek je krioelen uit?
/kriˈjulən/
Krioelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| i | riet |
| j | ja |
| u | boek |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van krioelen
krioelenhele werkwoord — krioeldeverleden tijd enkelvoud — krioeldenverleden tijd meervoud — gekrioeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | krioel | krioelde |
| jij | krioelt | krioelde |
| hij, zij, het | krioelt | krioelde |
| wij | krioelen | krioelden |
| jullie | krioelen | krioelden |
| zij | krioelen | krioelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekrioeld | verleden tijd, deelwoord |
| gekrioeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekrioeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekrioeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekrioeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekrioeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekrioeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekrioeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekrioeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekrioeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekrioeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekrioeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekrioeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekrioeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekrioeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekrioeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekrioeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekrioeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krioel | gebiedende wijs |
| krioelde | verleden tijd |
| krioele | aanvoegende wijs |
| krioelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekrioeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te krioelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen krioelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekrioeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekrioeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekrioeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekrioeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekrioeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekrioeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekrioeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekrioeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekrioeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekrioeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekrioeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekrioeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekrioeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen krioelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekrioeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult krioelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Fries, in de betekenis van ‘wemelen’ voor het eerst aangetroffen in 1561
Woordfamilie van krioelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekrioeld | voltooid deelwoord | krioelen |
| krioel | gebiedende wijs | krioelen |
| krioelde | verleden tijd | krioelen |
| krioelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | krioelen |
| krioele | aanvoegende wijs | krioelen |
| krioelend | onvoltooid deelwoord | krioelen |
| krioelende | woordvorm | krioelen |
| krioelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | krioelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krioelen zijn vastgelegd.