joelen
werkwoord ˈjulə(n)Betekenis
- luidkeels van afkeuring blijkgeven; meestal gezegd van een groep mensen
Hoe spreek je joelen uit?
/ˈjulən/
Joelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| u | boek |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van joelen
joelenhele werkwoord — joeldeverleden tijd enkelvoud — joeldenverleden tijd meervoud — gejoeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | joel | joelde |
| jij | joelt | joelde |
| hij, zij, het | joelt | joelde |
| wij | joelen | joelden |
| jullie | joelen | joelden |
| zij | joelen | joelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gejoeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gejoeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gejoeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gejoeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gejoeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gejoeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gejoeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gejoeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gejoeld | verleden tijd, deelwoord |
| gejoeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejoeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| joel | gebiedende wijs |
| joelde | verleden tijd |
| joele | aanvoegende wijs |
| joelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te joelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen joelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal joelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal joelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal joelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou joelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou joelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou joelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden joelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden joelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden joelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt joelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen joelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen joelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen joelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen joelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult joelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich luidruchtig gedragen’ voor het eerst aangetroffen in 1648
Woordfamilie van joelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejoeld | voltooid deelwoord | joelen |
| joel | gebiedende wijs | joelen |
| joelde | verleden tijd | joelen |
| joelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | joelen |
| joele | aanvoegende wijs | joelen |
| joelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | joelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van joelen zijn vastgelegd.