spar
zelfstandig naamwoord, werkwoord spɑrBetekenis
- paal, rechte, dunne stam, vooral als onderdeel van een dak
Hoe spreek je spar uit?
/spɑr/
Spar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sparren | meervoud |
| sparretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sparretjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sparren
- gebiedende wijs van sparren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sparren
Vervoeging van spar
sparhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘boomsoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1714
Woordfamilie van spar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sparretje | verkleinwoord | spar |
| sparretjes | verkleinwoord meervoud | spar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spar zijn vastgelegd.