par
zelfstandig naamwoord, bijwoord pɑrBetekenis
- (golf) aantal slagen dat een beroepsspeler standaard nodig heeft om de bal vanaf de afslag in een bepaalde hole te krijgen of het totaal van slagen dat nodig is om dat bij een ronde over een golfbaan bij alle holes te doen
- (golf) in evenveel slagen als een beroepsspeler standaard nodig zou hebben
- gelijk, dezelfde ... als, vergelijkbaar, gelijkwaardig
- (van getallen) even
- passend, redelijk
- de gelijke, kameraad
- (Ovidius) echtgenoot, echtgenote
- tegenstander
- het gelijke
- het paar, het koppel (van vogels)
- over, van
- paar (tweetal)
- paar (enkele)
- (golf) par
- paar
- even getal
- pariteit
- tegelijkertijd
- gelijk
- even (van een getal)
Hoe spreek je par uit?
/pɑr/
Par bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — masculine
- aantal slagen dat een beroepsspeler standaard nodig heeft om de bal vanaf de afslag in een bepaalde hole te krijgen of het totaal van slagen dat nodig is om dat bij een ronde over een golfbaan bij alle holes te doen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
bijwoord
- in evenveel slagen als een beroepsspeler standaard nodig zou hebben
Herkomst
van Engels par dat teruggaat op Latijn par "het gelijke"