ar
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɑrBetekenis
- een slee die door trekdieren over sneeuw of ijs getrokken wordt
- de letter r/R van het Latijnse alfabet
- vragende voorwaardelijke of verleden vorm van het koppelwerkwoord is
- op
- tá ... orm: ik heb ...
- meel
- vuur
- are
- schande
- met
- ook
- lucht
- are; 100 vierkante meter
- schaamte, verlegenheid.
- één; de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling, het kleinste getal van de verzameling \mathbb_0; komt na nul en vóór twee, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
Hoe spreek je ar uit?
/ɑr/
Ar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- slee die door trekdieren over sneeuw of ijs getrokken wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arren | meervoud |
| arretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| arretjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arren
- gebiedende wijs van arren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arren
Vervoeging van ar
arhele werkwoord
Herkomst
(verkorting) van arrenslee, in de betekenis van ‘door paarden over sneeuw voortgetrokken slee’ voor het eerst aangetroffen in 1832
Woordfamilie van ar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arretje | verkleinwoord | ar |
| arretjes | verkleinwoord meervoud | ar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ar zijn vastgelegd.