den
zelfstandig naamwoord, lidwoord dɛnBetekenis
- een kerstboom
- hol van roofdier
- de opstaande kant van het scheepsruim, vanaf het dek van een binnenschip
- bergzolder, bergvloer boven de dorsvloer
- (Limburg, Zuid-Brabant) dorsvloer
- (Zeeland, Vlaanderen) dorsplein, dorskleed
- (in vaste uitdrukkingen) accusatief en datief enkelvoud mannelijk en onzijdig (de, het) arch.
- (in Zuid-Nederlandse spreektaal) enkelvoudig mannelijk bepaald lidwoord wanneer eropvolgend woord met een klinker of b, d, h of t begint
- de; bepaald lidwoord voor mannelijke naamwoorden
- de
- (3e persoon enkelvoud, mannelijke en vrouwelijke vorm) deze, die, dit
- het
- hol (van een wild dier, b.v. een beer of vos)
- nest (van een wild dier, b.v. een krokodil)
- woonkamer (als rustpunt)
- deze, die, dit (3e persoon enkelvoud, mannelijke en vrouwelijke vorm)
- dag
Hoe spreek je den uit?
/dɛn/
Den bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — masculine
- kegeldragende naaldboom van het geslacht Pinus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dennen | enkelvoud |
| dennetje | verkleinwoord |
| dennetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- dorsvloer
- dorsplein, dorskleed
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dennen | enkelvoud |
| dennetje | verkleinwoord |
| dennetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
lidwoord
- accusatief en datief enkelvoud mannelijk en onzijdig (de, het) arch.
- enkelvoudig mannelijk bepaald lidwoord wanneer eropvolgend woord met een klinker of b, d, h of t begint
Herkomst
In de betekenis van ‘naaldboomsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1225.
Woordfamilie van den
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dennetje | verkleinwoord | den |
| dennetjes | verkleinwoord | den |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van den zijn vastgelegd.