kar
zelfstandig naamwoord, werkwoord kɑrBetekenis
- voertuig (oorspronkelijk met twee wielen)
- auto
- keuze, keus
- keur
- werk
- sneeuw
Hoe spreek je kar uit?
/kɑr/
Kar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| karren | meervoud |
| karretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| karretjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karren
- gebiedende wijs van karren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karren
Vervoeging van kar
karhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands carre, in de betekenis van ‘voertuig’ voor het eerst aangetroffen in 1240. Dit gaat via Picardisch car (= standaard Frans char)) terug op Latijn carrus
Woordfamilie van kar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| karretje | verkleinwoord | kar |
| karretjes | verkleinwoord meervoud | kar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kar zijn vastgelegd.