| - |
impersonal, passief
|
| ben gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| er is gesluisd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was gesluisd |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd gesluisd |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt gesluisd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal gesluisd worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal gesluisd zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou gesluisd worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou gesluisd zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| gesluisd |
verleden tijd, deelwoord
|
| gesluisd te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gesluisd te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gesluisd te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gesluisd te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gesluisd te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gesluisd worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gesluisd zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gesluisd zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gesluisd zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gesluisd zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had gesluisd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had gesluisd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had gesluisd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden gesluisd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden gesluisd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden gesluisd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt gesluisd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gesluisd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| sluis |
gebiedende wijs
|
| sluisde |
verleden tijd
|
| sluize |
aanvoegende wijs
|
| sluizend |
onvoltooid, deelwoord
|
| te hebben gesluisd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te sluizen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen sluizen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart gesluisd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gesluisd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren gesluisd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gesluisd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was gesluisd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was gesluisd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was gesluisd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt gesluisd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal gesluisd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gesluisd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal gesluisd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal gesluisd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gesluisd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zijn gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt gesluisd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou gesluisd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gesluisd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gesluisd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gesluisd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gesluisd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gesluisd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden gesluisd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gesluisd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gesluisd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gesluisd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gesluisd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gesluisd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt gesluisd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gesluisd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen gesluisd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gesluisd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gesluisd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gesluisd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gesluisd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gesluisd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen sluizen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult gesluisd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gesluisd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gesluisd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult sluizen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|