Naar de inhoud

sluizen

door een schutsluis doen varen

sluizen is meer dan één woord

sluizen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. door een schutsluis doen varen
  2. naar bepaalde bestemmingen doen gaan

Vervoeging van sluizen

sluizenhele werkwoord — sluisdeverleden tijd enkelvoud — sluisdenverleden tijd meervoud — gesluisdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sluis sluisde
jij sluist sluisde
hij, zij, het sluist sluisde
wij sluizen sluisden
jullie sluizen sluisden
zij sluizen sluisden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesluisd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesluisd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesluisd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesluisd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesluisd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesluisd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesluisd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesluisd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesluisd verleden tijd, deelwoord
gesluisd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesluisd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesluisd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesluisd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesluisd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesluisd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesluisd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesluisd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesluisd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesluisd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesluisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesluisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesluisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesluisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesluisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sluis gebiedende wijs
sluisde verleden tijd
sluize aanvoegende wijs
sluizend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesluisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te sluizen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sluizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesluisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesluisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesluisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesluisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesluisd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesluisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesluisd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesluisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesluisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesluisd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesluisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesluisd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesluisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesluisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesluisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sluizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesluisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesluisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord sluis

Woordfamilie van sluizen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesluisd voltooid deelwoord sluizen
gesluisde woordvorm sluizen
sluisde verleden tijd sluizen
sluisden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sluizen
sluist aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon sluizen
sluize aanvoegende wijs sluizen
sluizend onvoltooid deelwoord sluizen
sluizende woordvorm sluizen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sluizen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over sluizen

Wat is de betekenis van sluizen?
Sluizen is een werkwoord. De betekenis is: door een schutsluis doen varen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik sluizen?
Zo vervoeg je sluizen zo: de tegenwoordige tijd is sluis, de verleden tijd is sluisde en het voltooid deelwoord is gesluisd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sluizen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. L 3
  3. U 4
  4. I 1
  5. Z 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sluizen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 118 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. L 3
  3. U 2
  4. I 2
  5. Z 5
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 zonder bonus
  9. 118 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

sluizen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

sluizen in het kort

sluizen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van sluizen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort sluizen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

sluizen: door een schutsluis doen varen
Deel sluizen — standaardnederlands.nl