praam
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een kleine schuit met platte bodem
- een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| praampje | verkleinwoord, enkelvoud |
| praampjes | verkleinwoord, meervoud |
| pramen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pramen
- gebiedende wijs van pramen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pramen
Vervoeging van praam
praamhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘schuit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1429
Woordfamilie van praam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| praampje | verkleinwoord | praam |
| praampjes | verkleinwoord meervoud | praam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van praam zijn vastgelegd.