opstellen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- op zijn plaats zetten
- op schrift zetten
- (een theorie, een plan) ontwerpen
- zich een bepaalde houding aanmeten
werkwoord
- ontwerpen
Vervoeging van opstellen
opstellenhele werkwoord — stelde opverleden tijd enkelvoud — stelden opverleden tijd meervoud — opgesteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stel op | stelde op |
| jij | stelt op | stelde op |
| hij, zij, het | stelt op | stelde op |
| wij | stellen op | stelden op |
| jullie | stellen op | stelden op |
| zij | stellen op | stelden op |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgesteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgesteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgesteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgesteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te stellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal stellen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen stellen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult stellen | bijzin, toekomende tijd |
| opgesteld | verleden tijd, deelwoord |
| opgesteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgesteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgesteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgesteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgesteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgesteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgesteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgesteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgesteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgesteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opstel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstelde | bijzin, verleden tijd |
| opstelden | bijzin, verleden tijd |
| opstellend | onvoltooid, deelwoord |
| opstelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stel op | gebiedende wijs |
| stel u/je op, stelt je op | gebiedende wijs |
| stelde op | verleden tijd |
| te hebben opgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opstellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me opstellen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal opgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opstellen | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich opstellen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je opstellen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich opgesteld hebben | verleden tijd |
| zich opstellend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opstellen op zou(dt) stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je opstellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons opstellen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen opgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord opstel
Herkomst
samenstelling van op en stellen
Woordfamilie van opstellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opstelde | subordinate-clause, verleden tijd | opstellen |
| opstelden | subordinate-clause, verleden tijd | opstellen |
| opstelle | with-subordinate-clause | opstellen |
| opstellend | onvoltooid deelwoord | opstellen |
| opstellende | woordvorm | opstellen |
| opstelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opstellen |
| stel op | gebiedende wijs | opstellen |
| stelde op | verleden tijd | opstellen |
| stelden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opstellen |
| stelle op | woordvorm | opstellen |
| stellen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opstellen |
| stelt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opstellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opstellen zijn vastgelegd.