Naar de inhoud

opstellen

op zijn plaats zetten

opstellen is meer dan één woord

opstellen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. op zijn plaats zetten
  2. op schrift zetten
  3. (een theorie, een plan) ontwerpen
  4. zich een bepaalde houding aanmeten

werkwoord

  1. ontwerpen

Vervoeging van opstellen

opstellenhele werkwoord — stelde opverleden tijd enkelvoud — stelden opverleden tijd meervoud — opgesteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stel op stelde op
jij stelt op stelde op
hij, zij, het stelt op stelde op
wij stellen op stelden op
jullie stellen op stelden op
zij stellen op stelden op
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgesteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgesteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgesteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgesteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgesteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgesteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te stellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal stellen bijzin, toekomende tijd
op zou stellen bijzin, voorwaardelijk
op zouden stellen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt stellen bijzin, voorwaardelijk
op zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen stellen bijzin, toekomende tijd
op zult stellen bijzin, toekomende tijd
opgesteld verleden tijd, deelwoord
opgesteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgesteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgesteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgesteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgesteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgesteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgesteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opstel bijzin, tegenwoordige tijd
opstelde bijzin, verleden tijd
opstelden bijzin, verleden tijd
opstellend onvoltooid, deelwoord
opstelt bijzin, tegenwoordige tijd
stel op gebiedende wijs
stel u/je op, stelt je op gebiedende wijs
stelde op verleden tijd
te hebben opgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me opstellen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal opgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opstellen bijzin, toekomende tijd
zal zich opstellen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je opstellen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich opgesteld hebben verleden tijd
zich opstellend onvoltooid, deelwoord
zijn opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opstellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opstellen op zou(dt) stellen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opstellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opstellen bijzin, voorwaardelijk
zullen je opstellen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons opstellen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen opgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord opstel

Herkomst

samenstelling van op en stellen

Woordfamilie van opstellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opstelde subordinate-clause, verleden tijd opstellen
opstelden subordinate-clause, verleden tijd opstellen
opstelle with-subordinate-clause opstellen
opstellend onvoltooid deelwoord opstellen
opstellende woordvorm opstellen
opstelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opstellen
stel op gebiedende wijs opstellen
stelde op verleden tijd opstellen
stelden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opstellen
stelle op woordvorm opstellen
stellen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opstellen
stelt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opstellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opstellen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opstellen

Wat is de betekenis van opstellen?
Opstellen is een werkwoord. De betekenis is: op zijn plaats zetten. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opstellen?
Zo vervoeg je opstellen zo: het voltooid deelwoord is opgesteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opstellen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opstellen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opstellen in het kort

opstellen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opstellen staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opstellen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opstellen: op zijn plaats zetten
Deel opstellen — standaardnederlands.nl