monteren
werkwoordBetekenis
- de juiste beelden achter elkaar zetten
- ergens aan vastmaken
- uit losse (onder)delen in elkaar zetten
Vervoeging van monteren
monterenhele werkwoord — monteerdeverleden tijd enkelvoud — monteerdenverleden tijd meervoud — gemonteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | monteer | monteerde |
| jij | monteert | monteerde |
| hij, zij, het | monteert | monteerde |
| wij | monteren | monteerden |
| jullie | monteren | monteerden |
| zij | monteren | monteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemonteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemonteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemonteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemonteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemonteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemonteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemonteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemonteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemonteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemonteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemonteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemonteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemonteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemonteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemonteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemonteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemonteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemonteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemonteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemonteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemonteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemonteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemonteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemonteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| monteer | gebiedende wijs |
| monteerde | verleden tijd |
| montere | aanvoegende wijs |
| monterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemonteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te monteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen monteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemonteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemonteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemonteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemonteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal monteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal monteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal monteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou monteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou monteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou monteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden monteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden monteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden monteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt monteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen monteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen monteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen monteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen monteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult monteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in elkaar zetten’ voor het eerst aangetroffen in 1608
Woordfamilie van monteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemonteerd | voltooid deelwoord | monteren |
| gemonteerde | woordvorm | monteren |
| monteer | gebiedende wijs | monteren |
| monteerde | verleden tijd | monteren |
| monteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | monteren |
| monteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | monteren |
| monterend | onvoltooid deelwoord | monteren |
| monterende | woordvorm | monteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van monteren zijn vastgelegd.