mogen
werkwoord /'mo.χə(n)/Betekenis
- ergens toestemming voor hebben
- toegestaan zijn
- op prijs stellen, houden van (in deze betekenis vaak gecombineerd met graag)
- drukt een wens uit ten aanzien van het grammaticale onderwerp
- kunnen
- lusten
- iets moeten
Hoe spreek je mogen uit?
/ˈmoxən/
Mogen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- aardig/sympathiek vinden, houden van (in deze betekenis vaak gevolgd door graag) transitive
- drukt uit dat iets tot de mogelijkheden behoort, maar niet noodzakelijkerwijs hoeft te zullen gebeuren; in deze betekenis alleen onvoltooid verleden tijd modal, verb
- lusten ww transitive
Vervoeging van mogen
mogenhele werkwoord — gemogen*voltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gemogen* | verleden tijd, deelwoord |
| mocht | verleden tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘vrijheid hebben te, vermogen’ voor het eerst aangetroffen in 1200
Woordfamilie van mogen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemogen | woordvorm | mogen |
| mag | woordvorm | mogen |
| mocht | verleden tijd | mogen |
| mochte | woordvorm | mogen |
| mochten | woordvorm | mogen |
| moge | woordvorm | mogen |
| mogend | woordvorm | mogen |
| mogende | woordvorm | mogen |
| moogt | woordvorm | mogen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mogen zijn vastgelegd.