sensor
zelfstandig naamwoord /ˈsɛnsɔr/Betekenis
- een onderdeel, een instrument dat wordt toegepast om een informatief signaal af te geven over één of meer technische grootheden (snelheid, temperatuur enz.)
- sensor
Hoe spreek je sensor uit?
/ˈsɛnsɔr/
Sensor bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sensoren | meervoud |
| sensors | meervoud |
| sensortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sensortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘apparaat dat reageert op natuurkundige omstandigheden’ voor het eerst aangetroffen in 1974
Woordfamilie van sensor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sensoren | meervoud | sensor |
| sensors | meervoud | sensor |
| sensortje | verkleinwoord | sensor |
| sensortjes | verkleinwoord meervoud | sensor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sensor zijn vastgelegd.