lepel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈlepəɫ/Betekenis
- (eetgerei) een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
- een hoeveelheid die overeenkomt met de inhoud van een thee-, dessert- of eetlepel (resp. 5, 10 en 15 ml)
- een oor van een konijn of van een haas
- onderdeel van een hoofdstel bij tuigpaarden
Hoe spreek je lepel uit?
/ˈlepəl/
Lepel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
- blinkend kunstaas dat lijkt op een klein blinkend visje
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lepels | meervoud |
| lepeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lepeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lepelen
- gebiedende wijs van lepelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lepelen
Vervoeging van lepel
lepelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘eetgereedschap’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van lepel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lepels | meervoud | lepel |
| lepeltje | verkleinwoord | lepel |
| lepeltjes | verkleinwoord meervoud | lepel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lepel zijn vastgelegd.