vork
zelfstandig naamwoordBetekenis
- aftakking van een boomtak of van een weg
- voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
- bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
- fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
- situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vorken | meervoud |
| vorkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vorkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘getand werktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van vork
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vorken | meervoud | vork |
| vorkje | verkleinwoord | vork |
| vorkjes | verkleinwoord meervoud | vork |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vork zijn vastgelegd.