lepelboor
zelfstandig naamwoordBetekenis
- houtboor met een lepelvormig snijstuk dat het eigenlijke boren doet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lepelboortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lepelboortjes | verkleinwoord, meervoud |
| lepelboren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van lepel en boor
Woordfamilie van lepelboor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lepelboortje | verkleinwoord | lepelboor |
| lepelboortjes | verkleinwoord meervoud | lepelboor |
| lepelboren | meervoud | lepelboor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lepelboor zijn vastgelegd.