klepel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈklepəl/Betekenis
- peervormige staaf die in een klok bij het luiden tegen de rand slaat en zo de klok geluid doet geven
Hoe spreek je klepel uit?
/ˈklepəl/
Klepel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klepels | meervoud |
| klepeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klepeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klepelen
- gebiedende wijs van klepelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klepelen
Vervoeging van klepel
klepelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘staaf in klok’ voor het eerst aangetroffen in 1272
Woordfamilie van klepel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klepels | meervoud | klepel |
| klepeltje | verkleinwoord | klepel |
| klepeltjes | verkleinwoord meervoud | klepel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klepel zijn vastgelegd.