lepelaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
zelfstandig naamwoord — masculine
- Platalea leucorodia, een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
- iemand die of iets dat lepelt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lepelaars | meervoud |
| lepelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lepelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| lepelaren | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘reigerachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1270
Woordfamilie van lepelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lepelaartje | verkleinwoord | lepelaar |
| lepelaartjes | verkleinwoord meervoud | lepelaar |
| lepelaren | meervoud | lepelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lepelaar zijn vastgelegd.