legboor
zelfstandig naamwoord ˈlɛɣborBetekenis
- buisvormig orgaan aan het achterlijf van sommige vrouwelijke insecten, waarmee zij een gaatje boren om daarin hun eieren te leggen
Hoe spreek je legboor uit?
/ˈlɛxbor/
Legboor bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| b | bak |
| o | boot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| legboortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| legboortjes | verkleinwoord, meervoud |
| legboren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van leg ww en boor zn
Woordfamilie van legboor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| legboortje | verkleinwoord | legboor |
| legboortjes | verkleinwoord meervoud | legboor |
| legboren | meervoud | legboor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van legboor zijn vastgelegd.