legging
zelfstandig naamwoord ˈlɛɣɪŋBetekenis
- een broek van fijn gebreide stof, die strak om het lichaam heen zit. Op straat worden ze vrijwel alleen door vrouwen gedragen, maar op sportgebied worden ze door zowel mannen als vrouwen gedragen.
- het neerleggen van iets
Hoe spreek je legging uit?
/ˈlɛxɪŋ/
Legging bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| leggingen | enkelvoud |
| leggings | meervoud |
| legginkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| legginkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘dunne stretchbroek’ voor het eerst aangetroffen in 1989
Woordfamilie van legging
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leggingen | enkelvoud | legging |
| leggings | meervoud | legging |
| legginkje | verkleinwoord | legging |
| legginkjes | verkleinwoord meervoud | legging |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van legging zijn vastgelegd.