uitslaan
werkwoordBetekenis
- door slaan iets eruit- of wegkrijgen
- uiting geven, uiten
- een wijzer of meter die een afwijkende beweging maakt.
- naar buiten gaan
- het iemand ontnemen van een bepaalde verantwoordelijkheid
- bedekt raken met een laag aanslag
werkwoord
- de bal wegslaan transitive
- uiten ww, uiting geven aan transitive
- de vleugels ~ vliegen (v. vogels)
Vervoeging van uitslaan
uitslaanhele werkwoord — sloeg uitverleden tijd enkelvoud — sloegen uitverleden tijd meervoud — uitgeslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sla uit | sloeg uit |
| jij | slaat uit | sloeg uit |
| hij, zij, het | slaat uit | sloeg uit |
| wij | slaan uit | sloegen uit |
| jullie | slaan uit | sloegen uit |
| zij | slaan uit | sloegen uit |
Alle 119 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben uitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgeslagen | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was uitgeslagen | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd uitgeslagen | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt uitgeslagen | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal uitgeslagen worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal uitgeslagen zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou uitgeslagen worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou uitgeslagen zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben uitgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is uitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sla uit | gebiedende wijs |
| sloeg uit | verleden tijd |
| te hebben/zijn uitgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te slaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen slaan | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult slaan | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeslagen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeslagen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeslagen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeslagen te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeslagen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeslagen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeslagen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeslagen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeslagen zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeslagen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeslagen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitsla | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitslaand | onvoltooid, deelwoord |
| uitslaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitsloeg | bijzin, verleden tijd |
| uitsloegen | bijzin, verleden tijd |
| uitsloegt | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitslaan uit zou(dt) slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitslaan uit zult/zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en slaan ww
Woordfamilie van uitslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sla uit | gebiedende wijs | uitslaan |
| slaan uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitslaan |
| slaat uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitslaan |
| sloeg uit | verleden tijd | uitslaan |
| sloegen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitslaan |
| uitgeslagen | voltooid deelwoord | uitslaan |
| uitsla | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitslaan |
| uitslaand | onvoltooid deelwoord | uitslaan |
| uitslaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitslaan |
| uitsloeg | subordinate-clause, verleden tijd | uitslaan |
| uitsloegen | subordinate-clause, verleden tijd | uitslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitslaan zijn vastgelegd.