Naar de inhoud

uitslaan

door slaan iets eruit- of wegkrijgen

uitslaan

werkwoord

Betekenis

  1. door slaan iets eruit- of wegkrijgen
  2. uiting geven, uiten
  3. een wijzer of meter die een afwijkende beweging maakt.
  4. naar buiten gaan
  5. het iemand ontnemen van een bepaalde verantwoordelijkheid
  6. bedekt raken met een laag aanslag

werkwoord

  1. de bal wegslaan transitive
  2. uiten ww, uiting geven aan transitive
  3. de vleugels ~ vliegen (v. vogels)

Vervoeging van uitslaan

uitslaanhele werkwoord — sloeg uitverleden tijd enkelvoud — sloegen uitverleden tijd meervoud — uitgeslagenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sla uit sloeg uit
jij slaat uit sloeg uit
hij, zij, het slaat uit sloeg uit
wij slaan uit sloegen uit
jullie slaan uit sloegen uit
zij slaan uit sloegen uit
Alle 119 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben uitgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgeslagen impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was uitgeslagen impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd uitgeslagen impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt uitgeslagen impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgeslagen worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgeslagen zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou uitgeslagen worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou uitgeslagen zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben uitgeslagen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is uitgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sla uit gebiedende wijs
sloeg uit verleden tijd
te hebben/zijn uitgeslagen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitslaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te slaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen slaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal slaan bijzin, toekomende tijd
uit zou slaan bijzin, voorwaardelijk
uit zouden slaan bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt slaan bijzin, voorwaardelijk
uit zullen slaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen slaan bijzin, toekomende tijd
uit zult slaan bijzin, toekomende tijd
uitgeslagen verleden tijd, deelwoord
uitgeslagen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeslagen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeslagen te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeslagen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeslagen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeslagen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeslagen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeslagen zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeslagen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeslagen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsla bijzin, tegenwoordige tijd
uitslaand onvoltooid, deelwoord
uitslaat bijzin, tegenwoordige tijd
uitsloeg bijzin, verleden tijd
uitsloegen bijzin, verleden tijd
uitsloegt bijzin, verleden tijd
waart uitgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeslagen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeslagen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeslagen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeslagen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitslaan bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeslagen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitslaan bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitslaan uit zou(dt) slaan bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitslaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitslaan bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitslaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitslaan bijzin, toekomende tijd
zult uitgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitslaan bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitslaan uit zult/zal slaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en slaan ww

Woordfamilie van uitslaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sla uit gebiedende wijs uitslaan
slaan uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitslaan
slaat uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitslaan
sloeg uit verleden tijd uitslaan
sloegen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitslaan
uitgeslagen voltooid deelwoord uitslaan
uitsla subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitslaan
uitslaand onvoltooid deelwoord uitslaan
uitslaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitslaan
uitsloeg subordinate-clause, verleden tijd uitslaan
uitsloegen subordinate-clause, verleden tijd uitslaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitslaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitslaan

Wat is de betekenis van uitslaan?
Uitslaan is een werkwoord. De betekenis is: door slaan iets eruit- of wegkrijgen. In totaal staan er 9 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitslaan?
Zo vervoeg je uitslaan zo: het voltooid deelwoord is uitgeslagen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitslaan is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitslaan levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitslaan in het kort

uitslaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 9 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitslaan staan er 78 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitslaan bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitslaan: door slaan iets eruit- of wegkrijgen
Deel uitslaan — standaardnederlands.nl