kuren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈkyrə(n)Betekenis
- een langdurige behandeling volgen
Hoe spreek je kuren uit?
/ˈkyrən/
Kuren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| y | fuut |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als küren.
Vervoeging van kuren
kurenhele werkwoord — kuurdeverleden tijd enkelvoud — kuurdenverleden tijd meervoud — gekuurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kuur | kuurde |
| jij | kuurt | kuurde |
| hij, zij, het | kuurt | kuurde |
| wij | kuren | kuurden |
| jullie | kuren | kuurden |
| zij | kuren | kuurden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekuurd | verleden tijd, deelwoord |
| gekuurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekuurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kure | aanvoegende wijs |
| kurend | onvoltooid, deelwoord |
| kuur | gebiedende wijs |
| kuurde | verleden tijd |
| te hebben gekuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kuur
Herkomst
ww: afgeleid van kuur zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van kuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekuurd | voltooid deelwoord | kuren |
| kure | aanvoegende wijs | kuren |
| kurend | onvoltooid deelwoord | kuren |
| kurende | woordvorm | kuren |
| kuurde | verleden tijd | kuren |
| kuurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kuren |
| kuurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kuren zijn vastgelegd.