kurk
zelfstandig naamwoord, werkwoord /kʏrk/Betekenis
- een van kurk gemaakte soort afdichting voor flessen
- licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
Hoe spreek je kurk uit?
/kʏrk/
Kurk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ʏ | put |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- afdichting voor flessen uit veerkrachtig materiaal dat de flessehals afsluit; oorspronkelijk gemaakt uit de schors van een bepaalde boomsoort (kurkeik, Quercus suber), vanaf de 20e eeuw ook wel uit kunststof
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kurken | meervoud |
| kurkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kurkjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine, neuter
- licht, poreus materiaal, afkomstig uit de boomschors van de kurkeik no-plural
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kurken
- gebiedende wijs van kurken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kurken
Vervoeging van kurk
kurkhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands corc van Spaans corcho, in de betekenis van ‘schors van kurkeik, materialen daarvan’ aangetroffen vanaf 1545
Woordfamilie van kurk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kurkje | verkleinwoord | kurk |
| kurkjes | verkleinwoord meervoud | kurk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kurk zijn vastgelegd.